Over vertrouwen, kleine gebaren en de kracht van verbinding
Mijn eerste uitvaart vergeet ik nooit meer. Ik had mijn tekst expres kort gehouden — geen poespas, gewoon de essentie. Toch voelde elke seconde als een minuut. Daar stond ik, voor een volle aula. Al die mensen die naar mij keken, die van mij verwachtten dat ik wist wat ik deed. Mijn handen waren droog getraind op een pakje zakdoekjes in de keuken, maar nu voelden ze klam. Ik ademde diep in, keek naar de familie op de eerste rij en begon te spreken. Mijn stem trilde even, maar gaandeweg vond ik mijn ritme. Toen ik weer ging zitten, wist ik: dit werk gaat me raken, elke keer opnieuw.
In de jaren die volgden heb ik ontelbare families begeleid. Elk afscheid is uniek, maar sommige momenten blijven voor altijd in mijn geheugen gegrift.
Zoals die avond van de condoleance, toen ik kennismaakte met de kleinzoon van meneer. Vijftien jaar oud, met een autistische stoornis. Hij keek meer naar de grond dan naar de mensen om hem heen. Ik probeerde hem te betrekken bij het schrijven op de kist, het wegbrengen van bloemen, het sluiten van de kist, maar hij sloeg alles af. Tot zijn moeder op het einde van de avond zei: “Hij wil je iets vertellen.” Hij keek me aan en zei zacht: “Ik kan misschien niet huilen, maar ik kan wel een kaarsje aansteken.” Het was een klein gebaar, maar voor hem een grote overwinning. Voor mij ook — ik had zijn vertrouwen gewonnen.
Of die keer bij het graf van mevrouw, die de honderd net niet had gehaald. Haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen stonden rondom het graf. In het gezelschap een keurig geklede man die duidelijk in de war was. Toen hij aan de beurt was, draaide hij zich om naar mij met zijn rode gerbera en zei: “Deze bloem, mevrouw, is voor u.” Een kort moment van ongemakkelijke stilte, want lachen was bij deze familie beslist not done. Ik nam de bloem aan en stelde voor samen de bloem op de kist van mevrouw te leggen. “Dat lijkt mij een prima idee, mevrouw,” zei hij. De spanning week, en op de gezichten verscheen een liefdevolle glimlach.
Twaalf jaar in dit vak heeft me veel geleerd. Dat rouw geen vast pad volgt. Dat mensen soms lachen in hun verdriet en huilen in hun dankbaarheid. Dat een hand op een schouder soms meer zegt dan duizend woorden.
En nu, als ik vooruitkijk, weet ik één ding zeker: ik wil dit werk blijven doen zolang ik kan. Want hoewel ik dagelijks met de dood te maken heb, gaat mijn werk vooral over het leven — over liefde, herinneringen en de kracht van verbinding.
Geen enkele uitvaart is hetzelfde, maar één ding wel: het is altijd een eer om naast iemand te mogen staan, juist op het moment dat het er het meest toe doet.